1. Klein Seinpost

Op de eerste bladzij van de roman treffen wij Vera Melchers, een aantrekkelijke en stijlvolle vrouw van midden veertig, op het terras van koffiehuis Klein Seinpost, aan de boulevard van Kijkduin. Zij overdenkt het bestaan met haar ouders, haar echtgenoot, haar minnaars, haar dochter Heleen.

‘Links de boulevard, onlangs geasfalteerd, en direct op de hoek koffiehuis Klein Seinpost, herkenbaar aan de groene windschermen. Een gezelschap zoekt er plaatsen. De vrouw die nu het terras oploopt, fier én ingetogen – het type dat wanneer ze een openbare gelegenheid binnengaat zich uit onzekerheid een zekere arrogantie aanmeet – hoeft zich geen weg te banen. Men gaat voor haar opzij. (…) Een vrouw. Deze vrouw. Met de top van haar wijsvinger strijkt ze even langs haar wimpers. Strijkt toch geen tranen weg? Of de mooie, blauwe droom over het leven?’

2. Perziklaan 6

De heldin wordt geboren als Vera Dornseiffer, op een bovenhuis in de vruchtenbuurt, Perziklaan 6.

‘De winkels waren in de Vlierboomstraat. Mamma liep, de boodschappentas aan haar arm. Vera fietste op de driewieler naast haar. (…) Mamma met haar dikke buik zeulde de zware tas de buitentrap op. Ze woonden op een bovenhuis aan de Perziklaan.’

‘Vera liep de zestien treden van de buitentrap op, zocht in het portiek de sleutel.’

Tegen het eind van de roman – haar ouders zijn dan overleden en Vera is bezig het huis te ontruimen: ‘De post bracht een aangetekende brief van de Algemene Woningbouwvereniging De Sleutel. Op korte termijn zou de woning Perziklaan 6 geïnspecteerd worden. Van de aanwezige gebreken zou een rapport worden opgemaakt.’

3. Het kleine balkon

Het kleine balkon, genomen vanaf de Kruisbessenstraat

‘Vera’s moeder verafschuwde het huishouden. Na het avondeten liet ze de afwas staan en ging met haar dochter op het kleine balkon van de bovenwoning zitten, dat uitkeek op de blinde zijmuur van een pand aan de Kruisbessenstraat. In potten stonden kruiden. Toch een tuintje. Het stelde eigenlijk niet veel voor, maar je zat buiten.’

4. Bosjes van Pex

‘….Diep in dat bos, op een open plaats, was er een weide en op die weide stond een hut en in die hut woonde een oude heks, dat was Baba Jaga en het was geraden uit de buurt van die hut te blijven want Baba Jaga slachtte, braadde en at mensen alsof het kippen waren. Mamma sloeg de Sprookjes van alle landen dicht.’

‘Het meisje stak op haar driewieler rustig de straat over. Rond het plantsoen met duinrozen lagen tegels in de vorm van een wiebertje. (…) In de verte waar ze de tram zag, was de Laan van Meerder-maar-voort. Die kant was het op, ze fietste zo hard mogelijk. ‘En waar gaat de reis naar toe, jonge dame?’ Een onbekende mevrouw sprak haar aan. Ze gaf geen antwoord, had geen zin antwoord te geven. Wat ging haar dat aan? De mevrouw ging voor haar staan, legde beide handen op het stuur van haar driewieler. ‘Wil je me echt niet zeggen waar je heen gaat?’ vleide ze. Vera begreep dat ze geen keus had. Om van haar af te zijn antwoordde ze kortaf, de ogen naar het trotoir gericht: ‘De bosjes van de heks.’

5. Visrestaurant De Meerpaal

‘Op zondagmiddag bezocht het gezin Scheveningen. De ouders dronken ijsthee, Vera en haar kleine zusje Suze kregen limonade op het terras van het Kurhaus. Ze luisterden naar de opwindende muziek van een Slavisch orkest. Daarna reden ze over de boulevard richting haven, wezen in bewondering op de luxe jachten. Het was algemeen bekend dat dit de duurste ligplaats van het land was. Ze deelden een beetje in de glorie van deze nutteloze rijkdom, want op een gevelsteen van het visrestaurant De Meerpaal dat op de jachthaven uitkeek, prijkte de naam Dornseiffer, Vera’s opa van vaders zijde. Hij had zich opgewerkt tot stadsarchitect en had voor de oorlog de visafslag gebouwd. Van de oude visafslag is nog een gedeelte bewaard gebleven. Daarin was het visrestaurant gevestigd, vermaard om zijn lunchtongetjes en om zijn barbaarse bediening door voormalige varensgezellen (die de Haagse gegoede burgerij zich gaarne liet welgevallen: de vis was vers en goedkoop).’

6. Boekhandel van Hoogstraten, op Noordeinde

‘Na de maaltijd reden ze het centrum van Den Haag in en bekeken op het Noordeinde, door de smalle uitsparingen in het rolluik het chique interieur van een horlogerie. Ook hier een gevelsteen. Deze opa Dornseiffer hield zich ook met binnenhuisarchitectuur bezig. De renovatie van deze zaak had hij tot volle tevredenheid uitgevoerd. (…) De horlogerie lag schuin tegenover de boekhandel, in het betere gedeelte van het Noordeinde, dicht bij het Koninklijk paleis. Als Vera’s moeder het pand met de bovenwoning waar zij waarschijnlijk was verwekt (ze was er in ieder geval geboren en had er haar jeugd doorgebracht) in het oog kreeg, mompelde ze duidelijk hoorbaar: ‘Bah, bah, en nog eens bah!’

‘Vera’s moeder had na het gymnasium naar de Tekenacademie gewild. Haar ouders die op het Noordeinde een boekhandel dreven die gespecialiseerd was in Engelse literatuur hadden daar niets van willen weten. Ze moest in de winkel komen werken om hen later op te volgen en dus was het beter dat ze Engels ging studeren. Ze werd studente aan de Haagse school voor Taal- en Letterkunde, waar ze haar man leerde kennen.’

NB De boekhandel bestaat nog steeds en is nog steeds gespecialiseerd in Engelse literatuur.

7. Pallas-Athene gymnasium

‘Vera was zestien en overgegaan naar de vierde van het Pallas Athene-gymnasium. (…) Op school ging ze over de tong. Ze liet de jongens onverwacht zitten. Als ze ’s morgens onder de rijkgebeeldhouwde poort door, het schoolplein opreed, haar fiets in de overdekte stalling zette en naar het bordes liep, werd ze nagekeken.(…) Ze kreeg al gauw de indruk van een ander ras te zijn dan zij die haar nakeken, soms nariepen. Op een dag viel het woord ‘hoer’. Met hún blik keek ze naar zichzelf. Nou goed, als men haar zo zag, zou ze zich ook zo gedragen. Ze trok in een uitdagend gebaar haar schouders naar achteren, snoerde haar middel dieper in met brede ceintuurs, droeg truitjes die haar borsten, met de hooggeplaatste tepels, strak omspanden. Ze had werkelijk mooie borsten. Weinig vrouwen kunnen dat zeggen. Vera behoorde tot die uitverkoren groep. Nog zeldzamer zijn vrouwen met mooie borsten die bij mannen geen begeerte maar onmiddellijke melancholie opwekken. Uit voorzorg, uit zelfbescherming, wordt de begeerte overgeslagen. Die mannen zijn al kwijt nog voor ze iets bezeten hebben, want ze weten dit type vrouw onbereikbaar. Vera behoorde ook tot die hoogst zeldzame groep. Zodra de bel voor de pauze ging, verliet ze snel het lokaal, haastte zich de trappen af, streek met haar hand langs de koele Makkumse tegeltableaus, koos in de hal bij voorkeur de smalle passage achter de levensgrote beelden op sokkel, bereikte de smalle wenteltrap, liep de eerste vijf treden op, zuchtte van opluchting. Ze was hier dichtbij en toch veraf, veilig voor de anderen. In de brede vensterbank, voor iedereen onzichtbaar, at ze haar boterham, keek door het raam naar de binnenplaats beneden, in onbruik geraakt, verwaarloosd, en voor niemand toegankelijk. Ze las en herlas De koele minnaar van Hugo Claus.’

8. Buitenhof met Indrapoera

Buitenhof met Indrapoera (tegenwoordig het Mexicaanse restaurant Popacatepetl)

Als Vera vierentwintig is, ontmoet ze de jonge staffunctionaris werkzaam bij Shell Nederland, Daniël Melchers. Ze gaan iets drinken in Indrapoera op het Buitenhof. ‘Van verre zag je de oranje pitten van de olielampjes op tafel. Binnen reflecteerden ze duizend keer in de glazen spiegels. Verguldsel aan het plafond. Lambrisering van het overdekte en verwarmde terras. Een fontein klaterde acht en de Indiërs met hun gebatikte hoofddoeken bedienden zwijgend.’

9. Woning Buys Ballotstraat 99

‘Kort voor hun huwelijk hadden Vera en Daniël een huis gekocht in de Buys Ballotstraat, nog geen kilometer hemelsbreed van de vruchtenbuurt. De hele straat was een lang aaneengesloten blok huizen en liep evenwijdig aan de Laan van Meerdervoort. (..) Het huis had geen voortuin, wel een extra breed trottoir, op deze hoek met de Edisonstraat. Het was een opvallend huis. Daniël had in een van de vaste kasten naast de schouw bouwtekeningen en andere papieren gevonden waaruit bleek dat de architect die de straat had ontworpen van plan was geweest er zelf in te gaan wonen. De documenten vertelden niet of dit ook werkelijk gebeurd was. Maar in dit huis had hij aan elk detail bijzondere zorg besteed en het onderscheidde zich van de omliggende door een torentje, glas-in-lood bovenramen, een teakhouten voordeur en, zo geheel eigen aan de Haagse architectuur, een balkon voor, uitgebouwd, en een balkon achter, inpandig. Heel intiem.’

10. Tram op Laan van Meerdervoort

‘Vera was op weg naar zwangerschapsgymnastiek, stak nu over, haar buik trots vooruit, krachtig en gezond. Niet die bekende aanvallen van misselijkheid, geen hoge bloeddruk. Extra rust was niet nodig. Haar borsten waren groot en glanzend. Ze kon alles, kon de hele wereld aan. Die vertrouwde Laan van Meerdervoort lag feestelijk gedrenkt in wit licht en de zon daarboven leek niet meer dan een dunne roze schil. De stilte, dit moment. En dan, achter haar, net voor ze het zaaltje binnenging, de tram naar Kijkduin, die de stilte verbrijzelde.’

11. Kerk aan de Thomas Schwenkestraat

‘De Bethel-kapel aan de Thomas Schwenkestraat onderscheidde zich van buiten nauwelijks van de overige huizen. Binnen leek zij, op de gebrandschilderde ramen na, met het donkere houtwerk en het schemerlicht, op een donkere zijnis in de kathedraal van Chartres, vond Vera’.

In deze kerk wordt haar dochter Heleen gedoopt. Haar vader weigert de doopdienst van zijn kleindochter bij te wonen . ‘(…)hoe dol hij ook op het kleintje was, maar kerk, geloof en dus ook de doop, waren in zijn optiek godsnakende onzin’…

Na een jaar blijkt dat Vera’s dochter is geboren met een ernstige spijsverteringsziekte. De artsen op het consultatiebureau wuiven haar onrust weg, hebben meer aandacht voor deze mooie, jonge moeder. Uiteindelijk wordt Heleen met een ambulance in grote spoed naar het Academisch Ziekenhuis in Leiden vervoerd. Ze had geen dag later moeten komen. Heleen lijdt aan coeliakie en zal een streng glutenvrij dieet moeten volgen. Later, op de middelbare school, ontwikkelt ze anorexia.

12. Kruispunt Edisonstraat – Laan van Meerdervoort

‘Wist je niet beter, je zou zeggen, met het zachte licht, de hemel die van blauw water leek, de nevel in de straten, het begin van een vakantiedag. De eerste tram uit de Edisonstraat zwenkte de Laan van Meerdervoort op. De hele nacht had Vera wakker gelegen, ogen wijd open. Verschillende keren was ze opgestaan om naar haar dochter te kijken. Ze had geluisterd naar haar regelmatige ademhaling. Tegen Heleens magere borst het knuffelkonijn.’

13. Koffiehuis Klein Seinpost

Vera heeft haar dochter afgeleverd bij een ontwenningskliniek, achter Zutphen, en is op weg naar huis.

‘De tram richting Kijkduin plette op de middenstrook een tros seringen. Paars vocht liep over de ruit. Ze drukte op het gaspedaal, passeerde de tram. Liet de afslag Buys Ballotstraat achter zich. Links de vruchtenbuurt, rechts de bosjes van Pex. Boven de Laan dat bijzondere licht, helderder, zachter, én droefgeestiger, onder invloed van de nabije zee. Verward glimlachte ze naar zichzelf, zuchtte. Ze was haar huis allang voorbij en deed geen poging om te keren. Welke betekenis moest je daaraan geven? Was het nog geen tijd om naar huis te gaan? Of was dit de gelegenheid om met ogen, niet rood van het huilen, zich zomaar aan zee te laten doorwaaien, te glimlachen naar een onbekende? Ze vervolgde de Laan van Meerdervoort, maakte die lange bocht rechts omhoog, zette haar auto op de parkeerplaats achter het winkelcentrum. Een gezelschap uit een touringcar begaf zich richting boulevard, die kleiner is, intiemer dan die van Scheveningen. Ze rook de zee. De zeewind mompelde een meisjesnaam. De groene windschermen van Klein Seinpost. Moe, noch uitgerust, in een aangenaam leeg zijn ging ze die sfeer van zonnigheid binnen. De zeewind fluisterde wat, maar de woorden waren nu niet meer te verstaan.’

De lezer is met Vera teruggekeerd op het terras van Klein Seinpost. De schrijver laat haar daar achter. Reis er naar toe en je kunt haar daar zien zitten, een getrouwde moeder, halverwege de veertig, heel aantrekkelijk, maar onaanraakbaar.

Haganum

P.S. In de tijd dat Vera uitkwam (februari 1997) verscheen in de Haagse Courant onderstaand artikel: Gymnasium wil scholiere met anorexia kwijt (door Henk Ruyl)

Den Haag – Het gymnasium Haganum in Den Haag overlegt vandaag opnieuw met een externe eetdeskundige en een consultatieteam over een 16-jarige leerling met anorexia. Het meisje zit in de vijfde klas en weegt nog maar 21 kilo. De schoolleiding wil haar de toegang tot de school ontzeggen. Volgens rector G. Kloeg van het Haganum heeft het probleem rond de leerling de school in zijn greep genomen. “Er wordt veel over gesproken”, aldus Kloeg vanmorgen. “Wij zoeken naar een oplossing die voor iedereen aanvaardbaar is”. Het meisje kwam aan het begin van dit jaar op school terug, nadat ze eerder voor de ernstige vorm van de eetstoornis was behandeld. (…) In de vorige week verschenen roman ‘Vera’ van Jan Siebelink is ook sprake van een geval van anorexia op een school. In het boek heet die school ‘Pallas’ , maar het Gymnasium Haganum heeft er duidelijk model voor gestaan. (….)

Nee, het meisje in dit artikel heeft niet model gestaan voor Vera’s dochter. Heleen is aan ’s schrijvers fantasie ontsproten. Maar Heleen hád die zestienjarige leerlinge kunnen zijn.