1. Oranjeplein, Den Haag

‘Hij kwam op het Oranjeplein, een enclave met speelweide, oude scheefstaande bomen en knoestige rododendrons. Op zijn beurt weer een omsloten geheel, stadsdelen zoals die Japanse schuifdoosjes van ivoor. Een man was bezig met een mes in de bast van een boom te kerven.
Overal vrouwen…
“Een park vol vrouwen,” mompelde hij. Oranjepark. Vrouwenpark. Uit Costa Rica, Santo Domingo, Caracas. Lieflijke, welluidende namen. Hij proefde ze op zijn tong. De vrouwen drentelden in het zachtgele licht van de betraliede bollantaarns. Hij verlangde naar Julia, haastte zich naar de school en liep de passage binnen. Julia was geagiteerd, schudde haar hoofd. Veel controles. Politie. Niet goed. Misschien vannacht al weg. Net als de anderen had ze alle spullen klaarstaan. Hij zag een rood, afgebladderd koffertje onder de tafel. Een bos theerozen in een kan op de grond.’

2. Fannius Scholtenstraat

Fannius Scholtenstraat, Den Haag, januari 2001

‘Een muur waar je langsliep, een egaal grijze muur, ontdaan van klimop en toen schoongespoten, die je even met je hand aanraakte om houvast te zoeken. Achter die muur vermoedde je sinistere, akelige dingen. Iets stiekems, iets wat ineengedoken loerde om aan te vallen. Casper liep door de Fannius Scholtenstraat. Hier was sinds kort een politiepost gevestigd en de Servicio de los Extranjeros. Daar werd op schermen getuurd, werden lijsten met namen geprint, controles en arrestaties voorbereid. Maar niemand wilde zich branden aan pandjesbazen, pooiers en hun handlangers. Je las in de krant over politici, politieke partijen. Hun hooggestemde idealen. Ze hadden met iedereen het goede voor. Laatst hoorde Casper iemand op de televisie zeggen dat hij de hoge functie accepteerde omdat de partij het van hem vroeg. Vol afkeer had Casper weggezapt.

Hij stak de drukke Hoefkade over. Het massieve silhouet van het voormalige schoolgebouw had ’s avonds de allure van een kathedraal. Boven “De Poel” gloeiden de lampen als exotische vruchten. Een junk die hij al eerder op de avond geld had gegeven, passeerde hem haastig, stak de hand op naar Casper, verdween in de nacht.

De school was een bijenkorf. Er kwam een diep, ononderbroken gegons uit. De meisjes krachtig opgemaakt, met hun immense ogen. Het schemerlicht accentueerde de scherpe trekken. Theatraal, hun hoofd een beetje schuin, waren ze verleidelijk en koel, een beetje afwezig. Uit verveling staken ze de ene sigaret met de andere aan. Half opgerookt gooiden ze hem door de open deur, met een boog naar buiten, in de smalle goot die voor de kamers langsliep.’

3. R.K. Meisjesschool

Voormalige R.K. Meisjesschool op de hoek van de Poeldijksestraat en de Hoefkade te Den Haag, later verbouwd tot bordeel.

Op een van de hoeken zag Casper een oud schoolgebouw. De hoge ramen waren geblindeerd of bespannen met grof gaas. Hoog in de voorgevel, vlak onder de dakrand, in reliëf, in grote grijze letters “R.K. lagere school voor meisjes. 1902”, en vlak boven de hoofdingang, met de hoge stoep van vijf treden en een hekwerk van smeedijzer, een uithangbord met rode neonletters. “P.la.s d’amo.r” Verschillende letters waren kapot. Hier leek zich alle drukte te concentreren. Het neon verlichtte een straatnaam: Hoefkade, met in kleine letters de toevoeging “verbastering van Hofkade”. Aan het einde van de straat liep gelijk met de bovenrand van de huizen de oplopende trambaan. Daarachter, vaag, de schittering van de overkapping van Hollands Spoor. Boven de hele wijk hing een roodachtige gloed die ook de glazen koepel op de school, die de daklijnen leek te bekronen, verlichtte.

“Dat verdomde uithangbord,” mopperde Harry in zichzelf. Hij beschouwde het voormalige schoolgebouw als een soort fataliteit. Toch, toen ze naar binnen gingen en in de centrale hal stonden – de school was een klassieke hallenschool geweest vanwaar je tot in de koepel, twintig meter hoger, keek en waar water in vijvers klaterde in oude garderobenissen met hoge kunstpalmen die het geheel een tropisch aanzien gaven, merkte Harry op dat dit nou een schoolgebouw was waar hij zich helemaal thuisvoelde. Ze baanden zich met moeite een weg. Ondanks de drukte was het stil, in tegenstelling tot het lawaai buiten.’

4. Voormalige Meisjesschool aan de Poeldijksestraat

‘Buiten bereik van de andere wereld? Op de hoek met de Hoefkade reed een surveillanceauto geluidloos de straat in. Een tweede verscheen. Vanaf Hollands Spoor kwam een arrestantenwagen met agenten met grote snelheid de straat in. Te snel over de voetgangersdrempel; de agenten vielen over elkaar. Hij stopte voor de ingang van de school. Van de ramen op de etages in De Poel die nog bezet waren, ging het licht uit. De agenten sprongen hun auto uit, trokken een spoor in de sneeuw en posteerden zich voor de ingang. De sneeuw accentueerde de silhouetten van de bomen, de vuilniszakken tegen de bomen.

Van weerszijden kwam nog meer politie de Poeldijkse straat binnen. In de sneeuw leek de straat veel korter. Het leek alleen te sneeuwen voor zo ver het licht van de straatlantaarn reikte. Een politieofficier met een vol gezicht en kinderlijke mond gaf een teken. Agenten renden het gebouw in. Misschien hadden hun moeders hier katholiek lager onderwijs genoten. Dios mio en quién confio. Mijn God op wie ik vertrouw. Misschien hadden de meisjes nog een blik op hun psalmen geslagen. Ze waren immers volleerd in de berusting.

De gekleurde lampen boven de straat bewogen druk, flikkerden op, weerspiegelden in de schoolramen. Er werd gegild. Deuren sloegen dicht. In deze stad waar alle politiek faalde, waar pasgebouwde flats instortten, de nieuwe tramtunnel op talloze plaatsen lekte, moest bij tijd en wijle een daad gesteld worden. Men liet een aantal meisje oppakken. Vrouwen die alles hadden achtergelaten, die zoals ooit zijn vader, dag en nacht werkten, gekookte of gestoomde lappen afgekeurde lever aten om geld uit te sparen, werden opgepakt en op het vliegtuig gezet. Een dag later gedoogden de autoriteiten de handel weer. Het waren niet de slechtste vrouwen die hier kwamen.’

5. Poeldijksestraat, Den Haag

‘Ergens achter de hoge huizen klonk een sirene. Harry Egberts keek zijn vriend glimlachend aan. Ze liepen een smalle donkere zijstraat in, langs blinde muren van pakhuizen, sloegen rechtsaf bij een dode hoek met een schimmige binnenplaats, hoorden in de verte rumoer. Na twee, drie stegen kwamen ze in een bredere straat, waarboven aan onzichtbare draden flikkerende gloeilampen hingen. Het licht van goedkope bars, speelholen en koffiehuizen aan weerszijden verblindde even. In portieken stonden meisjes.

“Mooie mannen. Kom praten! Ik, niet duur.” Deze straat werd om de honderd meter gekruist door een smallere. Half op het trottoir stonden surveillancewagens van de politie geparkeerd. Op een van de hoeken zag Casper een oud schoolgebouw.’

6. Café De Zon, Poeldijksestraat, den Haag

‘Casper stond met de rug naar de bar. Hij had al een hele tijd geen vrouw meer gehad. Hij kon zich nog steeds tegoed doen aan de beelden van Ymke. Maar dat kon je met geen mogelijkheid een alomvattende liefde noemen.

De wand achter de toog was beplakt met vergeelde flessenetiketten en resten imitatiekurk, gezwollen door vocht. De paar mannen aan de bar waren versuft of dronken. In de bruine tegels van de vloer zaten diepe barsten. Het was een smerig café. Meer een hok voor beesten. Een plafondlamp van oliepapier liet vlekkerig licht door. Het maakte de zaak nog kaler. Een vage gestalte achter de ruit deed hem een moment aan zijn broer denken. Zou Lucas met Ymke nog wel eens over die nacht in de Rijnbar praten? Of durfden ze dat niet aan? Zou Lucas, op zwakke momenten hevig twijfelend, ’s nachts badend in het zweet wakker worden en naar zijn slapende Ymke kijken en haar wakker maken en vragen: “Gabrielle is toch wel … ?” En Ymke? Zij zou hem, als hij die vraag stelde, die suggestie hoogst kwalijk nemen. Hoe kwam hij erbij? Ze zou boosheid voorwenden en afstandelijk doen. En een beetje toegeven. Natuurlijk, ze was wel verliefd op Casper geweest. Heel kort maar en eigenlijk kon ze zich nu nauwelijks voorstellen dat ze iets voor zijn broer gevoeld had.’

7. Turks eethuis Topkapi

‘In spiegelschrift op het raam “tavuk = kip”. Ze zaten in Topkapi, een koffiehuis waar de hele nacht door een eenvoudige maaltijd van brood, kip en linzensoep geserveerd werd, tegenover Hollands Spoor. De baas ruimde de dominostenen op.

Harry vond dat het vanwege het schelle licht hier altijd vroeg in de ochtend was. De eigenaar bracht twee glazen koffie. Caspers vriend glimlachte even, de ogen gesloten, mompelde verschillende keren: “Me voy a lavar la toto”, waarschijnlijk de vrouw citerend die hij bezocht had. Casper dacht: hij is tevreden. Hij was blij voor hem, keek met vertedering naar de krachtige, blond behaarde armen van Harry. Deze bracht de hete koffie naar zijn mond en meende dat je jezelf niet veranderen kon. Het leek een soort rechtvaardiging. Zijn uitstapje had hem tweehonderd piek gekost. Misschien had hij het geld toch liever in zijn zak gehouden voor Zuid-Frankrijk.

De wijzer van de stationsklok versprong van 4.30 naar 4.31. Nadat Harry uit “school” was teruggekeerd, hadden ze wat in de buurt rondgezworven, waren ze via het Oranjeplein, met imponerende platanen en goed onderhouden gazons én meisjes die zich geen raam konden permitteren of geheel vrij wilden zijn (Harry noemde ze taxigirls), via de stille Van Hogendorpstraat weer in de richting van het station gelopen.

Topkapi lag aan het eind van het stationsplein, waar trambanen donkere tunnels in doken of schuin omhoogliepen over viaducten op smalle pijlers. Een voetgangersbrug verbond deze zijde met de overkant. Daar, onder de luifel van de hoofdingang, bij de taxistandplaats scharrelde een zwerfhond. Hij had deel uitgemaakt van het groepje dat ze vannacht enige keren waren tegengekomen. Nu was het dier alleen. Misschien verstoten. Of moe, na de lange nacht. De hond overwoog het plein over te steken. Een taxi reed weg. De hond leek zich te bedenken.

Er waren tientallen koffiehuizen aan deze zijde. Alle even naargeestig met tl-verlichting. Maghreb, Izmir, Bosporus… Harry gaf aan Topkapi de voorkeur. Misschien vanwege het fonteintje, midden in de zaak, met een groen oplichtende rots waarover water stroomde. Op de vijverbodem lagen munten, om het geluk af te dwingen. De ruimte werd ook nog opgevrolijkt door een enorme kamerlinde die zijn takken met bleke bloemen over het gehele raam uitspreidde. In de vitrine lagen schalen met kippenpoten en een aluminium bak met linzensoep. Op een schoolbord stond geschreven: Geen telefoon hier! Geen wc!

8. Hollands Spoor

Jan Siebelink verrichtte veel veldwerk voor dat deel van zijn roman dat in de buurt rond het Hollands Spoor is gesitueerd. In dit eethuis werkte hij zijn ervaringen uit.

9. Trams bij de overkapping van station Hollands Spoor

‘In het schoolgebouw was het doodstil geworden. Hij hoorde in de verte, op het Rijswijkseplein, de tram. De eerste van die dag. Nu reed hij het Stationsplein op, zou een gele flits in de ramen van Topkapi werpen. Al gauw zou de ochtend blauw en zonnig zijn, zouden nieuwe meisjes hun kamers binnen gaan. Hij wachtte nog even. Hij had nooit belangstelling voor een politieke partij kunnen opbrengen. Nu had hij toch, op zijn wijze, aan politiek gedaan. Casper lag met de armen onder zijn hoofd, ontspannen, hoorde buiten de krachtige stralen van de sproeiwagen. Nog wachtte hij. Deze kamer zou direct weer bezet worden. Het was misschien verstandig een tijdje niet hier te komen. Casper soesde een beetje weg. Zijn moeder keek hem met een boos gezicht aan. “Weg met dat vieze beest!” “Moeder, dat is de omslagdoek die je van Ymke en Lucas gekregen hebt…”

Hij had de kamer net verlaten toen een vrouw met een sleutel in haar hand op de deur toeliep. Was verbaasd dat de deur niet gesloten was. Hij vroeg zich af of hij iets uit moest leggen. Zij wilde geen uitleg, zij wilde dat die man bij haar binnen kwam. Met zo’n man wenste ze de dag wel te beginnen. Hij bood geen verzet.’

10. Het stationsgebouw

‘Het stationsgebouw, in de dichte regen die tegen de ochtend was gaan vallen en dan bijna altijd een dag met een harde ijsblauwe hemel brengt, glansde. Vanuit “Topkapi” keek Casper toe. De eigenaar schepte uit een emaillen kom een bord linzensoep voor hem op. Linzensoep. Bijbels. Kwamen verhangingen in de bijbel voor? Had Judas zich niet verhangen? Hij herinnerde zich de stem van zijn vader: “De Filistijnen werden door de Israëlieten bij duizenden geslagen.” Sloeg in de bijbel iemand de hand aan zichzelf? Wanhoop was er in de bijbel genoeg.

Hij at van de linzensoep. Harry zou vanzelf eens komen opdagen. Ze zagen elkaar in “De Zon” of hier. Harry was zichzelf aan het straffen… “Tavuk Gorbasi” stond sinds kort met wit krijt op de ruit van Topkapi geschreven.

Casper dacht aan de verongelukte hond. Hollands Spoor leek in mist gehuld, zo zwaar viel de regen. Hij herinnerde zich hoe de zwerfhond had overwogen de trambaan in een paar sprongen over te steken en ervan af had gezien. Zijn instinct had hem gewaarschuwd voor het noodlot dat zich al ergens anders aan het voltrekken was.’