P.F. Thomése ~ De ontsnapping   
Alle boeken
Achtergrond
Inleiding
Fragment
De ontsnapping, dat is de kwestie. Dat wist ik al heel lang geleden, toen het wielrennen nog een typische radiosport was en diende te worden beleefd in de eigen verbeelding. Dagen van weleer. De aan hun bureaus ontrukte en in totale opwinding achterop motoren geplaatste verslaggevers joegen hun woorden op tot hoge snelheden, ze raasden raaskallend over onbekende veldwegen, hun zinnen als een lang lint wapperend en waaiend achter zich aan, serpentines van taal die tenslotte in de berm neerdwarrelden, waar ze vermiezerden tussen het zwerfvuil van een lange, hete dag.
Overal, op bouwsteigers, in huiskamers, aan het strand, in geparkeerde auto's, werd op geheel eigen wijze bedacht wat er daarginds, op die wegen in Frankrijk, gebeurde. Maar het bleef geheimzinnig, je kreeg er niet de vinger achter. De namen waren het enige, het peloton was een woud van namen, die in steeds wisselende volgorde, als een soort fuga, werden hehaald, je raakte er haast in trance van, zong sommige mooie en onbegrijpelijke namen zachtjes mee, als een mohammedaans gebed.
En dan, plotseling, was het daar: de ontsnapping.
De radio explodeerde zowat, de verstaanbaarheid werd slechts een uiterst smalle bandbreedte gegund, aan gene zijde ervan begon de ruis der sferen en daar kwam geen zinnig woord doorheen.
Overal werden de luisteraars opgeschrikt en gonsde het van de vermoedens. Een groepje vluchters! Op de bouwsteigers werd het werk accuut stilgelegd, op het hete strand dromden de plotseling een en al oor geworden badjongens om die ene transistor, in de langs de kant gezette auto's werd het geluid harder gedraaid, in de huiskamers keek men elkaar vragend aan. Wie o wie waren de gelukkigen, wie zaten er bij? Voorlopig bleven ze naamloos, zij die het deden, die hadden weten te ontsnappen aan 'de ijzeren greep van het peloton', zoals de verslaggever, papzakkerig achtergebleven tussen de volgers in de karavaan, het uitdrukte, en iedereen brak zich het hoofd over de mogelijke identiteit van de renners die opeens geheimzinnig in het Franse landschap waren opgelost.
(Waren ze de bossen ingetrokken, vroeg ik me thuis eenzaam af, leefden ze nu van beukennootjes en zwarte bessen die ze opscharrelden in de ondergroei, ver van de bewoonde wereld, onvindbaar voor de jagende meute der achterblijvers? Of fietsten ze hoog in het gebergte, voorbij de boomgrens, met het hoofd al boven de wolken, in een onontgonnen en nog mythisch niemandsland dat pas na de finish door hen in het wonderlijkste koeterwaals beschreven kon gaan worden?)
Ondertussen bleef de radioverslaggever achter in het zich van niets en niemand onderscheidende peloton, waar de renners als gewone mensen voort ploeterden over het smeltende asfalt, dat in dikke plakkaten aan de goddelijk dunne tubes bleef kleven. Hier, in het peloton, klonken de namen steeds meer als die van herenkappers en groenteboeren: moe, oud en streekgebonden, terwijl die van daarginds en daarboven zongen als de engelen.
Dit is wat ik van wielrennen weet, en als het allemaal waar is, geldt het zeker voor Jan Siebelink, die, op de fiets of niet, op een of andere wijze altijd om de bocht verwdijnt. Er is in deze schrijver een grondig verlangen om uit het peloton weg te komen, de herenkappers en groenteboeren stuk te rijden en er majesteitelijk vandoor te gaan over wegen die niemand kent, want als er een verlossing bestaat, is het zeker dat die op eigen houtje gevonden moet worden, daar waar men alleen nog zijn eigen ademhaling hoort en men geruisloos wordt weggewist in het onontkoombare landschap.