We lopen samen naar de begraafplaats. Ik zie hoe hij met zijn rechterbeen trekt. Een oude man op de hurken bij een graf steekt de hand op en zegt: '(H)é, Estje! (H)oe gaat het!'
Haaks op elkaar staande rijen graven. Veel bloemen. Veel mensen. Men stoft, veegt, keuvelt. Het is er druk als op een marktplein. Geen die mijn compagnon niet groet. De sfeer is hier anders dan op een protestantse begraafplaats. Hier zijn de doden nog onder de levenden. Je krijgt zelfs de indruk dat ze ook niet echt dood zijn, maar voor een tijdje elders vertoeven.
'Aan het rijven?' vraagt Van Est aan een oude vrouw met zwarte omslagdoek die een paadje rond een graf aan het harken is.
'(H)a, Wimme, en gij gaat naar Mieke toe.'
De sfeer is huiselijk, intiem, vrolijk. Alsof er niets aan de hand is. Mij benauwt die valse veiligheid. Degenen die hier nu bezig zij, zullen binnen afzienbare tijd de eeuwigheid kennen.
'Ben jij niet bang voor de dood, Wim?'
'Ik prakkezeer er nooit over. Als het mijn tijd is, merk ik het wel.'
We staan voor het graf van zijn vrouw. Op de brede steen is in zilverkleurig schaafsel een paradijselijke scène met lammeren en Maria uitgebeeld.
'Mieke (h)ield zo van ons Lieve Vrouwke.'
'Is ze nu in het paradijs?'
'Als er één daar thuishoort, dan is zij het wel', omzeilt hij mijn vraag. 'Meneer Van Agt zei altijd als we weer wat trainingsrondjes rond de kerk hadden gereden: "Laten we maar gauw naar Mieke gaan." Hij vond altijd dat ze zo lekker kookte...'
'Je bedoelt toch premier Van Agt?'
'Jot. Hij wilde dat ik hem een betere pedaaltred aanleerde. Het was in de tijd van de verkiezingen. Kijk', en hij wijst me op andere namen. 'Onder Mieke liggen haar schoonouders. En als het zover is, kom ik er nog bij.'
|